Moeten of mogen?


Kies moet of mag

Voor het rode licht je stoppen. Je de straat niet over.
Mijn zoon is te dik. Hij geen vet of suiker eten, hij veel water drinken.
De les begint om 9 uur: iedereen op tijd komen.
De les is gedaan: iedereen naar huis gaan.
Antony wil naar de film, hij vraagt aan mama: ' ik gaan?'
Als je met de bus wil meerijden, je een ticket kopen.
Rijd jij met de auto vanavond? Dan je geen alcohol drinken.
Martina is erg ziek, ze naar de dokter.