Het lichaam
in, op, boven, onder, tussen, ...
Lees de zin. Selecteer het goede antwoord.
De mond zit op de buik.
- juist
- fout
De hals zit tussen het hoofd en de borst.
- juist
- fout
De tanden staan op de tong.
- juist
- fout
De oren zitten aan het been.
- juist
- fout
Elke hand heeft vijf vingers.
- juist
- fout
Een vrouw heeft geen tenen.
- juist
- fout
De rug zit aan de achterkant van het lichaam.
- juist
- fout
De neus zit aan de voorkant van het lichaam.
- juist
- fout
Elke voet heeft tien tenen.
- juist
- fout
De hals zit onder de buik.
- juist
- fout