Persoonlijke Voornaamwoorden

Verwijzen met HIJ, ZIJ of ZE

Vervang de onderstreepte woorden door een woord uit de lijst.
Dit is mijn zoon. Mijn zoon heet Marco.
Ik zit altijd naast mijn zus. Mijn zus is niet in de les vandaag.
De politieman geeft mij een boete. De politieman schrijft een briefje.
Ik heb dokter Gerda gebeld. Dokter Gerda komt na de middag.
Daar is de buurman. De buurman belt aan de deur.
Mijn vader is op reis. Mijn vader komt niet naar het feestje.
De vrouw van mijn zoon werkt hard.De vrouw ziet er moe uit.
De Belg eet te veel. De Belg doet ook weinig aan sport.