ALLEMAAL en IEDEREEN


Selecteer de juiste vorm

Voorbeelden

Iedereen drinkt koffie.
Wij drinken allemaal koffie.

Iedereen hier in de klas wil Nederlands leren.
Jullie willen allemaal Nederlands leren.
1. begrijpt de oefening.
2. Komen jullie morgen naar de les?
3. Eten jullie een pannenkoek?
4. Willen zij een snoepje?
5. Morgen is het feest. is welkom.