Weten


Selecteer de juiste vorm

Weten

Ik weet
Jij/u weet
Hij/zij weet

Wij weten
Jullie weten
Zij weten
1. u waar het gemeentehuis is?
2. Ik niet meer waar ik mijn sleutels heb gelegd.
3. jij hoeveel kinderen hij heeft?
4. Wij niet wie de president van Senegal is.
5. Hij welk cadeau jij hebt gekocht.