Kunnen


Selecteer de juiste vorm

Kunnen

Ik kan
Jij kan
U kan/kunt
Hij/zij kan

Wij kunnen
Jullie kunnen
Zij kunnen
1. Wij al heel goed Nederlands spreken.
2. Ik deze oefening niet maken, want ze is te moeilijk.
3. jij goed koken?
4. jullie vandaag de auto wassen?
5. Mijn man heel goed strijken.