Kennen


Selecteer de juiste vorm

Kennen

Ik ken
Jij/u kent (Ken jij?)
Hij/zij kent

Wij kennen
Jullie kennen
Zij kennen
1. Hij zijn buurman niet.
2. Wij allemaal ons nationaal volkslied.
3. Maria Vilvoorde niet: zij moet de weg vragen.
4. u de deze man?
5. jij dit computerprogramma?