Index
Kennen, kunnen of weten ?
Schrijf de juiste vorm van
kennen
,
kunnen
of
weten
Dit is Bruno. Bruno is in de klas.
Hij wacht op het resultaat van zijn examen. Hij wil het resultaat van zijn examen
[?]
, maar hij is bang. Het examen is niet goed, denkt hij.
De leraar stelde moeilijke vragen: "
[?]
jullie wat de langste rivier van Europa is?"
En: "
[?]
jullie wie de president van Frankrijk is?"
En: "
[?]
jullie noteren wat de hoofdstad van Albanië is?"
Bruno
[?]
de antwoorden op deze vragen niet.
Bruno
[?]
deze vragen niet beantwoorden.
Bruno is niet alleen bang voor het resultaat van zijn examen.
Bruno is ook bang voor zijn vader.
Hij
[?]
zijn vader. Zijn vader is een strenge man.
Zijn vader zal boos zijn.
Zijn vader
[?]
altijd alles beter.
Zijn vader
[?]
niet begrijpen dat studeren niet simpel is.
Arme Bruno, hij
[?]
niet wat hij moet doen.
Hij
[?]
niet naar huis gaan met een slecht resultaat...
Controle
OK
Index